Moei je met je eigen bord!

Omdat ik onlangs de zegenrijke leeftijd van negenentwintig jaar bereikt heb, kan ik met gemak de inventaris van mijn leven tot hier toe opmaken. Zo kijk ik terug en merk ik dat ondoordachte impulsiviteit, eigenwijsheid en over anderen oordelen de leidraden van mijn leven geweest zijn. Ik heb geen spijt. Het leven is kort en wordt vanaf nu steeds korter. Noem het maar morbide, ik noem mezelf liever een levensgenieter.

Een genieter van spijzen – alle spijzen. Doch heb ik een grens. Want bij al die introspectie schieten me ook velerlei zinnen te binnen die ik reeds mijn hele leven hoor. “Dat zou ik niet doen, Hanne,” is een onschuldige klassieker. Net zoals “Er staat duwen, niet trekken op de deur” een rode draad is. Zo ook hoor ik tot vervelens toe volgende parel: “Heb jij je bord niet leeggegeten?” uit de verbaasde monden van kelners, ouders en tegenwoordig mijn levenspartner. Waarop mijn antwoord dan steeds standvastig klinkt: “Moei je met je eigen bord!”.

Oh.
“Oh.”

Etiquette aan tafel is niet alleen verontrustend ongemakkelijk, het zorgt ook consequent voor overgewicht. Want hoewel gulzig zijn duidelijk niet mag en in een ander zijn bord kijken ook niet, moet je je bord per se leegeten. Ongeacht de toestand waarin je maag zich bevindt. Ongeacht welke onverlaat jouw bord heeft volgepropt. Niemand hoeft mij te vertellen hoeveel ik moet eten. Indien ‘zij’ dus mijn bord laden met overigens heerlijke eetwaren, is het hun eigen schuld dat mijn kleine maag deze premisse niet kan waarmaken.

Maar zelfs al heb je die tweede portie zelf genomen, houdt dit fascisme (fascisme!) geen steek. Hoe kan je immers op voorhand weten hoeveel je buik aankan? Je buik is onvoorspelbaar. Dat hangt van veel factoren af: je kan een kleine portie nemen maar toch ten onder gaan aan de rijkheid van je maaltijd vis à vis het gebruik van room, echte boter, de hoeveelheid vlees of aardappelen enzovoort. Je kan zo veel honger hebben dat je jezelf overschat. Want je ogen bedriegen je. Dat is op alle vlakken een waarheid des levens.

“En anders geen dessert,” dreigen ze nog. Dus ik moet me opvullen om me nog eens op te vullen. Voor wie? Althans niet voor mezelf. Voor de kinderen in derdewereldlanden? Voor armen op straat? De oorzaak van de wegwerpcultuur ligt bij globale supermarkten die vervaldata als nazi’s opvolgen, niet bij mij! Ik geef mijn overschot immers met graagte aan de enkele mensen die niet vies van me zijn: mijn moeder of mijn partner. Niet toevallig dezelfde mensen die me aansporen me te overeten. Leg de schuld eerder bij hén, denk ik dan, want zij gaan het ook niet opeten.

Gaat de vuilnisbak in de keuken meuren? Is het zonde al dit eten weg te gooien? Dat kan. Ik kan ook een indigestie opdoen. Dat is pas zonde.

En dan nu tijd voor ellebogenwerk

Zoals ik al meermaals heb aangehaald, is het nuttigen van een maaltijd een onnodig formele bedoening. Niet alleen hier, in België. Overal in Europa stellen verveelde etiquette-fascisten verschillende regels op, om het hun eetgasten zo ongemakkelijk mogelijk te maken. Ze loeren vanuit schaduwen en controleren of iedereen zijn soepkom wel twintig procent schuin houdt bij de laatste hapjes. En ze zullen pas stoppen wanneer niemand nog een hap durft te nemen en de wereld implodeert.

Liefst spreken de regels uit verschillende landen elkaar ook nog tegen, zodat je niet eens beseft dat je onbeleefd bent. Maar waar iedereen het zowat over eens is, is dat ellebogen van tafel moeten. Want ellebogen zijn… Stout? Gevaarlijk? Ze plooien maar langs één kant? Dat stukje vel is droog, gerimpeld en ongevoelig? Een uitleg krijg je er nooit bij. Wacht er dus niet op. Het mag gewoon niet. Dat heet ‘beschaving’.

Nou. Als je mijn leeftijd bereikt hebt, heb je lak aan ‘mogen’. Oh, het mag niet? Ik mag alles! Ik eet niet uit beleefdheid, of om mijn lijf te voorzien van voeding en vitaminen en mineralen en wat niet al. Ik eet omdat het lekker is. En dat is best vermoeiend. Dan heb ik steun nodig. Dan heb ik ellebogen nodig. Liefst die van mij. Soms eet ik een beetje, neem ik een steunpauze, en eet ik nog wat. Dat is mijn zaak.

De Grieken – en dat zouden dan de grondleggers van onze beschaving moeten zijn – steunden ook op hun ellebogen tijdens het eten. Op een bed. Ze hadden het bij het rechte eind, want stoelen zijn foltertuigen. En zij aten veel, namen een kotspauze, en aten dan nog wat. Dat was hun zaak. Hun godengegeven recht!

Net zoals halfnaakt bediend worden door een androgyne knaap
Net zoals halfnaakt bediend worden door een knaapje met een bloemenkrans.

Mijn vraag is aldoende deze: weten wij het dan beter dan de Grieken?

Omdat ik zelf graag mijn eigen vragen beantwoord: neen.

Waarom een vork in je rechterhand hoort*

poseidon_sculpture_copenhagen_20051

Etiquette tart al jaren alle verstand en logica. En we blijven het maar pikken omdat iemand honderden jaren geleden vond, dat het sjiek stond moeilijk om te gaan met de makkelijkste zaken ter wereld. Zoals eten.

We vonden het bestek uit, voornamelijk bestaande uit het mes, de vork en diens luie broer, de lepel.

Wie rechtshandig is, eet zijn soep met een lepel in de rechterhand. Je brengt de soep naar je mond. Je eet. We voeren dezelfde actie uit met cornflakes, pudding, dame blanches, tiramisu, yoghurt (kunnen reclamemakers trouwens stoppen met ons de uitspraak ‘jochert’ op te dringen? Normale mensen zeggen ‘joegoert’), havermout,… Ik kan blijven opsommen maar daar is niemand mee bediend.

Mijn punt is maar, menig voedsel wordt met de rechterhand naar de mond gemanoeuvreerd. Daar hebben we soms geen lepel voor nodig. Neem nu tapas, beetklare Spaanse hapjes die ons leven vooral in de zomer een stukje draaglijker maken bij gebrek aan Belgische zon. En neem ze met je rechterhand. Alleszins niet met je linkerhand. Waarom zou je? Als je rechtshandig bent, is je rechterhand je rechterhand.

Dat geldt dus ook voor een vork, die eigenlijk bijna hetzelfde is als een lepel, maar dan met parallelle uitsnijdingen. Maar neen, de etiquette gebiedt dat het més, godbetert, de lepel vervangt bij het wisselen van gang. De vork komt wel terug in de rechterhand wanneer we een taartje eten zonder mes. Wat zijn we nodeloos ambivalent en hopeloos inefficiënt. Dat terwijl we een man op de maan hebben gezet.

Toch krijg ik verwarde blikken wanneer ik mijn klaargelegd bestek voorts onopvallend verwissel, alsof ik een holbewoner ben. Ik kijk dan stuurs naar mijn bord en ontsteek niet eens in een gepassioneerde monoloog. Knap om waardig te blijven in veeleisend gezelschap, zeg ik steeds tegen mezelf.

De dwazen!

In alle tijd die zij als kind staken in het nutteloze trainen van beide handen als voedseldragers, amuseerde ik mij dubbel zo hard met enkel mijn rechterhand! IK WIN!

 

*Zijnoot: als je linkshandig, lees dit artikel dan averechts.

Ik wil mijn kinderspaghetti en ik wil hem nu

Wanneer ik het zie staan op het menu, zal ik – mijn veronderstelde volwassenheid ten spijt – prompt een kinderspaghetti bestellen. Mijn maag is zo groot als mijn vuist, schat ik. Zo’n schijnbaar onschuldige vraag lokt thans gemengde reacties uit van kelners. De een spottend “krijgt mevrouw anders haar bord niet leeg?”. De ander ronduit agressief “dat is een spaghetti voor KINDEREN”. Het woord ‘kinderspaghetti’ laat inderdaad te veel aan de verbeelding over.

Ik leg dan mijn spijsvertering uit aan de kelner, geheel tegen ons aller zin. Als ik echt op dreef raak, voeg ik er ook kleurrijke details aan toe. “Neem toch de gewone spaghetti, Hanne!”, manen mijn tafelgenoten me verveeld en onbegripvol aan.

Maar ik trek een lijn in het zand.

Waarna mij de kinderspaghetti gewoonweg verboden wordt. Ver-bo-den. Ik moet en zal de gewone spaghetti bestellen, zelfs als dat betekent dat ik hem gegarandeerd niet zal opkrijgen en de rest zal moeten worden weggegooid. Moet ik mij dan schuldig voelen? En hoe wint het restaurant daarbij? Flikkeren ze mijn aangesabbelde restje terug in de pot? Want daar ga ik van uit wanneer mijn bestelling om monetaire redenen wordt geweigerd.

Als ik niemand pijn doe, mijn belastingen betaal en de wet navolg, mag niets mij verboden worden. Niets!

Dit is Europa!

Ik koester mijn kinderportie tenminste tot op de laatste sliert, terwijl kinderen meer dan de helft vrolijk overboord kieperen. Waarom zouden zij deze maaltijd dan meer verdienen dan ik? Dan vind ik dat grootmagige kinderen evenmin recht hebben op een ‘gewone spaghetti’. Laat hen maar verhongeren terwijl ik me overeet. Ik pleit voor consequentie, mensen.

Pick your battles, zegt mijn moeder altijd. Ik zeg: dat is zo. Maar dit is mijn leven, mijn maag en mijn portefeuille. En ik zal verdommen eer ik mij schik naar de culinaire maatstaven van anderen.