De champieter kwiet als baas

Ook champieter kwieten worden oud. En omdat ze goed kunnen bluffen, schoppen ze het vaak ver in het leven. Ze worden het type hoge pief waarvan iedereen zich afvraagt waaraan hij dat precies heeft verdiend.

Misschien dankzij zijn hevige empathie voor de modale werknemers, die hij elke dag “schatten” noemt. Hij verdient dan wel meer, zijn afkomst zal hij nooit vergeten. Daarom slaat hij praatjes met ieder die dankbaar is dat de baas tijd maakt voor ondergeschikten. Over voetbal, vrouwen, auto’s. Onderwerpen die volgens hem leven onder bevolking. Ter voorbereiding bekijkt hij documentaires met veel data en feiten, die hij nonchalant ten strijde gooit. “Tja, men kan zich afvragen in hoeverre het feminisme nog een plaats heeft in onze moderne samenleving”. Hij is een man van het volk maar ook een uomo universale.

bla
“Dienen Da Vinci, da was toch nogal ne zot he.”

Of omwille van zijn ijver. Ook tijdens de lunchperiode is hij druk bezig klanten binnen te halen. Getuige de dranklucht die rond hem hangt als een aura van business smarts. Aan toekomstvisie ontbreekt het hem evenmin. “Die social media, dat wordt wat, jongens!”. Als we hem mogen geloven, wordt dat een echte hype. Gelukkig heeft hij eens een congres bezocht of dit was ons nog ontgaan.

Klasse, vraag je? Het spuit zijn oren uit. Zijn jonge onterechte ijdelheid heeft plaatsgemaakt voor oude misplaatste arrogantie. Dure doch smakeloze schoenen worden geplant op elke tafel in zijn nabijheid. Huid en vlees zichtbaar uit zijn hemd stulpend totdat zijn navel tussen de knoopjes verschijnt. Klasse. Managen? Doet hij volgens het boekje. Als dat boekje geschreven is door andere champieter kwieten. Vrouwelijke collega’s zijn er om te minachten of te begeilen. Dat hangt van hun algemene houding af. Alsook het feit of ze een schouderklopje dan wel oogcontact krijgen.

Aldus verdiende de champieter kwiet zijn functie. Uiteindelijk vragen wij ons af waaraan zijn werknemers dat verdiend hebben.

De champieter kwiet gaat op reis

“Waar ik naartoe ga, die mensen hebben daar dus echt niks, hè,” fluistert hij plechtig, zijn gesprekspartner streng in de ogen starend. Zijn hand rond een halflege pint op de toog. “75% van die bevolking leeft onder de armoedegrens”. Voordat hij zijn reisplannen bekendmaakte, had hij niet voor niets uren op Wikipedia doorgebracht. Wanneer het café volloopt, wordt het moeilijker om de luidste stem te hebben. Dus richt hij zich maar tot de barman, die spijtig genoeg niks af te wassen heeft. “En toch zijn die gelukkiger dan ons!”

Dat ziet hij meteen bij zijn aankomst aan de lachende gezichten, nieuwsgierige blikken en uitgestrekte handjes waar hij passeert. Dat is nogal wat anders dan in België, het land van de cynische mopperpotten. En de ‘vrouwtjes’ zijn hier ook zo lief, zo begrijpend. Niet als die wantrouwige azijnpissers van bij ons, met hun vingers gereed aan de pepperspray. Neen, deze hemelse schepseltjes lachen met zijn zweterige moppen, ook al krijgt hij gaandeweg de indruk dat ze niet zo vlot Engels praten. Maar de taal van de humor is universeel.

"Mijne yang is hier nogal aan het yinnen, zeg!"
“Mijne yin is hier nogal aan het yangen, zeg!”

Omdat hij hoorde dat de mensen hier extreem gastvrij zijn, besluit hij aan te kloppen bij het gezin van de toektoek-chauffeur die hem al dagen volgt. En warempel, de geruchten blijken waar. Puii is reeds na enkele uren zijn beste vriend geworden en overlaadt hem met complimentjes, snoepjes en lekker eten. Nu zal hij voor het eerst échte rijst eten. Lekkerder dan die van in België vindt hij hem niet, maar hij proeft wel dat het gezonder is. Wat een ervaring. Wat een land.

Een land waar kinderen voortdurend buiten spelen, alsof ze geen school hebben. Die snappen de natuur nog. Met graagte poseren ze samen met hem voor de foto’s die hij op Facebook zal zetten met als onderschrift ‘My new buddy’s!’. Eén van hen heet Monni en wordt helemaal wild wanneer de kwiet zijn portefeuille bovenhaalt, om foto’s van zijn lief te laten zien. Wild en nieuwsgierig, met zijn naarstige vingertjes blijkbaar zoekend naar nog meer foto’s.

“Ik ben echt helemaal zen nu,” benadrukt hij eenmaal teruggekomen in zijn stamcafé. “Veel geleerd over het Boeddhisme, 75% van de bevolking beoefent die godsdienst!”. “Zouden dat diezelfden zijn, die onder de armoedegrens leven?” vraagt de barman. De kwiet is goed geworden in het negeren van uitlachen en vraagt hem of hij ooit van Singha-bier gehoord heeft.

Natuurlijk heeft ie dat niet. Eén-nul voor de kwiet.

De champieter kwiet gaat op bedrijfsfeest

Daar staat hij te glanzen, de eeuwige champieter kwiet. Grondig gedoucht en gladgeschoren, geurend naar ingekookt testosteron en speurend naar die knappe nieuwe receptioniste. Hij wacht tot ze genoeg wijn gedronken heeft. Dan zal hij haar toevallig tegen het lijf lopen en vragen hoe het haar hier bevalt. En haar op het hart drukken dat als er iets is, ze altijd met hem kan komen praten, want “ik heb zelf ook al serieus wat meegemaakt hier.”

Zoals toen de nieuwe accountant was gaan klagen over zijn goedbedoelde sms’jes. Werkelijk niet te geloven hoe koud sommige vrouwen kunnen zijn.

Maar voorlopig is hij bij de IT mensen gaan staan, om te babbelen over de beveiliging van het internet op het werk, en of ze echt kunnen nagaan wie welke sites bezoekt. En of zo’n dingen gemeld worden bij managers – of echtgenotes.

Hij zou liever met die managers klinken. Maar ze worden stil als hij erbij komt staan. Buiten die ene die hem altijd vraagt aan de hoeveelste pint hij al zit. Dan lacht hij schaapachtig, want hij heeft er nog niet genoeg op om een gevat antwoord te geven. Terug naar de IT mensen, die oordelen tenminste in stilte.

Het wordt later en de nieuwe receptioniste heeft vriendinnen gemaakt. Ze gieren het uit en geven elkaar speelse duwtjes, vrouwen ondereen. Onweerstaanbaar voor een champieter kwiet. Hij vindt een opening in hun pleziercirkel en lacht meteen mee. “Amai dat is hier precies dikken ambiance bij de vrouwtjes!” benadrukt hij. Hun blikken vermijden zijn bezweet gezicht en vinden een uitweg in elkaars ogen.

Maar ik dacht dat we strippoker zouden spelen...
Ben ik dan echt de enige die mij een toffe gast vindt?

Wanneer één van ‘de vrouwtjes’ vertrekt, ziet hij zijn kans schoon. Hij geeft haar een plakkerige zoen op de mondhoek terwijl hij haar, met zijn hand op haar zij, naar zich toetrekt. Met zijn andere hand neemt hij haar nek vast. Een eenzijdig romantisch moment. Die handeling zal zich bij elke vrouw herhalen, buiten die accountant. En bij elke man, buiten de managers. Met elk ‘glaasje’ stijgt zijn nood aan geknuffel, zeker met mensen die het dulden.

Hij blijft tot het einde, met als enige een das rond zijn hoofd, en gaat daarna naar ‘die van ons’. Maar zoals hij berekend had, komt hij eerst nog de receptioniste tegen op de parking. “Héééé! Ik heb van u nog geen knuffel gekregen, stoute madam!” waarop ze haar sleutels zoekt in haar handtas. Met open armen wankelt hij naar haar toe om haar met handtas en al te omhelzen. Zijn natte lippen mompelen op haar nek “Ge weet het hé. Bij mij kunt ge altijd terecht. Ge weet het.”

Ze weet het inderdaad: het is niet omdat je geen vlieg kwaad doet, je geen kleverig web kan spannen.