Vaagweg gezocht: de allround medewerker

Sire, er bestaan geen functies. Is het nu nog steeds de crisis, de krenterigheid van sommige bedrijven of het feit dat we stilaan übermenschen aan’t worden zijn: tegenwoordig moet je alles maar mooi kunnen. Werkgevers zoeken steeds een allround medewerker want dat is een fijne aanvulling van hun team.

Let op, je hebt vele allrounds.

Er is de allround designer, die verantwoordelijk is voor het idee, de creatie en de afwerking van een concept. Hij/zij maakt tevens filmpjes, animaties en charts en kan prachtige foto’s trekken én bewerken. Interieur, kledij, vervoersmiddelen, websites? Geen probleem voor de allround designer want die designt allround.

Dan heb je de allround administratief medewerker. Een beetje administratie, een beetje boekhouding, een beetje lonen uitbetalen, een beetje telefoons oppikken en een beetje koffiezetten. Je kent toch iets van de Belgische wetgeving, hé? Want die kennis zal je nodig hebben wanneer je de zoveelste rechtszaak van je baas opvolgt. Vergeet wel dat ene gedeelte over vakbonden.

Dan mijn favoriet: de allround creatieve duizendpoot. Een echte duizendpoot kan alleen maar stappen of stilstaan met zijn ‘duizend’ poten. Dat houdt werkgevers echter niet tegen dit insect (is het een insect? Ik ben geen bioloog) te gebruiken om lekker vage vacatures te schrijven. Alsof een allround creatieve duizendpoot dus effectief duizend poten heeft om al je rotproblemen op te lossen, omdat je geen creatieve ontwerper, creatieve schrijver, creatieve DTP’er, creatieve monteur, creatieve webdesigner, creatieve editor en creatieve office manager apart wilt inhuren.

Soms heb je nog méér overkoepelende allrounds. De zogenaamde allround allround. De MacGyver van de werkwereld. Die moeten rekeningen sorteren, websites onderhouden, toiletten poetsen én teksten schrijven en alles wat daartussen ligt. Daarnaast is een goed coördinatievermogen handig om de route naar de wasserette van je baas te onthouden.

Hoe vager de functie, hoe meer je zal moeten kunnen en hoe kwader ze mogen zijn, moest dat niet lukken. Je functie bestaat er immers ook uit om tussen de lijntjes van je job te lezen. Lijnen die je baas sporadisch uitwist en herschrijft, totdat je gewoonweg alles kan! Waarop je wordt buitengezwierd, want slimmer zijn dan je werkgever – dat is een kwaliteit te veel.

Een pleidooi voor de juiste definitie van ironie

Sarcasme. Satire. Ironie.

We gebruiken deze woorden te pas en te onpas, omdat we denken dat ze onze gesprekken (en dus ons) cachet geven.
En cachet is goed. Iedereen wil cachet! Maar niet iedereen verdient cachet.

En helemaal niemand verdient dat kapsel.
En helemaal niemand verdient dat kapsel.

Want woordenboeken, Wikipediapagina’s of ambitieuze blogposten ten spijt, niemand schijnt te weten wat sarcasme, ironie of satire nu precies is. De geschreven definities zijn te vaag, te algemeen, elkaar te tegensprekend (wie schrijft die dingen?). Dus beslissen we in de praktijk maar zelf: het is allemaal ‘spot. Voilà. De Vlaming heeft gesproken. Sarcasme? Da’s satire want eveneens spot. Ironie? Ook spot, dus hetzelfde als sarcasme. Satire? Eén spot nat. Woordspelingen zijn ook humor.

Gele pulls ook.
En gele pulls ook.

Wel, ‘spot’ is niet goed genoeg. ‘Spot’ is rommel. ‘Spot’ is belachelijk. Waarom maken we geen onderscheid binnenin spot? Zoals Engelstaligen dat zo mooi doen? Zijn wij daar niet genuanceerd of slim genoeg voor? Zijn Engelstaligen slimmer dan wij?

Zelfs de ‘slimme’ media van Vlaanderen (dat was sarcasme) halen de begrippen constant door elkaar. Bespottelijk. (ha!) Laatst zag ik als krantenkop een citaat van een minister tegen een andere: “Haal die ironische grijns van uw gezicht!”. Bedoelde hij sardonisch? Want dat lijkt er wat op en het zou kloppen. In ieder geval, dit is dus waar ons belastingsgeld naartoe gaat.

Ach, in Canada hebben ze grotere problemen.
In Canada hebben ze grotere problemen.

Kijk. Ik ben dertig. Ik wil rustig mijn leven leiden. Maar helaas, zelfs mijn nakende moederschap – toch een ingrijpende gebeurtenis in iemands leven – kan de boel niet relativeren. Zie hier dus voor mijn gemoedsrust, nogmaals de verschillen tussen sarcasme, ironie en satire, geschetst met Engelstalige humor, want die weten tenminste waarover ze spreken.

Hoewel er uitzonderingen zijn.
Er zijn natuurlijk uitzonderingen.

 

Sarcasme
Sarcasme is het omgekeerde zeggen van wat je vindt. Liefst met een wijsneus-toontje of op zijn minst een droge blik.

“Dat nieuwe nummer van de Black Eyed Peas is echt geniaal!”, bijvoorbeeld. Of “Wanneer komt er nu nog eens een nieuwe superhelden-film uit? Da’s zo lang geleden!”

Hier een nog betere, vanuit The Simpsons:

 

Of van de koning van sarcasme, Jerry Seinfeld:

 

Ironie
Denk nu niet dat ik de ironie niet waardeer, wanneer iemand beweert te weten wat ironie is en helemaal fout is. Ik waardéér dat. Ik glimlach met mijn hart. Toch even herhalen wat ironie precies is, want ik ween tegelijk met mijn brein: het is het omgekeerde verkrijgen van wat de bedoeling was.

The Tree of Irony
© The Perry Bible Fellowship

 

Een definitie in gezang nodig? (wacht tot op het einde)

 

Of gaan we eventjes terug naar onze kindertijd, toen we blijkbaar wel wisten wat ironie was?

 

Ik kijk niet alleen naar cartoons:

 

En ik vertel er graag ook even bij wat ironie niet is. In bold. Ook in italic? In orde: ironie is niet alléén sarcasme, een grof mopje, een ongelooflijk toeval, brute pech of schadenfreude. Er is meer voor nodig: een bedoeling.

Satire
Deze gooi ik er gewoon voor de lol bij, omdat ik vaak de indruk krijg dat mensen satire bedoelen wanneer ze ironie zeggen. Satire is op een intelligente manier spotten met iets. Dat kan met sarcasme of ironie of allebei!

De koning van de satire is Stephen Colbert:

 

Of was Greg Giraldo tijdens Comedy Central’s roasts:

 

Hè hè. Dat doet deugd.

Ik voel me goed. Bomvol cachet. Ik maak me sterk dat dit een relevant onderwerp is, dat ik iedereen nu voor altijd heb overtuigd, en dat we er eindelijk over kunnen zwijgen. Hoera!

7 verkeersmanoeuvres die tonen dat je een klojo op vier wielen bent

Proficiat iedereen! We hebben het ver geschopt als mens.

De slimsten onder ons vonden een auto uit en moesten verkeersregeltjes opstellen opdat de anderen elkaar er niet mee van kant zouden maken. Maar ze waren één detail vergeten: een doordeweekse mens oordeelt zelf wel of iets gevaarlijk is. Een doordeweekse mens rangschikt de opgestelde verkeersregels van ‘dit manoeuvre mag niet, anders gebeuren er ongelukken’ naar ‘dit manoeuvre mag niet, anders krijg ik een boete’ tot ‘dit manoeuvre maakt me een klojo maar echt illegaal is het niet dus waarom zou ik het laten?’.

Sommigen laten dat laatste effectief, omdat ze geen klojo zijn. Anderen kiezen er voor om hun medemens – dat zijn jij en ik, beste lezer –  te schofferen. Die mensen deugen niet.

Ze zijn de klojo’s van de verkeerswereld, die volgende manoeuvres uitvoeren en toch kunnen slapen ’s nachts:

1. Niet netjes aansluiten bij parallel parkeren

1-parallel parkeren-01

De meeste auto’s zijn meer dan drie meter lang. Dat is algemeen geweten. Zou je denken! Bepaalde chauffeurs menen echter dat er auto’s bestaan van amper een meter. Daarom laten ze plaats, speciaal voor deze wagens, aan het uiteinde van een parkeerstrook.

Dat was sarcasme. Ik weet niet waarom bepaalde chauffeurs geen plaats vrijhouden voor wagens van normale grootte. De enige verklaring die ik heb, is dat ze klojo’s zijn.

2. Iemand geen ruimte geven om parallel te parkeren

2-geen ruimte parallel-01

Parallel parkeren heeft dat effect vaker op bepaalde chauffeurs, zo blijkt. Die rijden achter iemand aan in een smalle straat met zijlingse parkeerstrook. De persoon voor hen stopt plots, zet z’n pinker op en wil die vrije parkeerplaats achter hem in. Witte achterlichten schieten aan.

De andere chauffeur reageert niet. Hij is te druk bezig met het klojo-zijn.

3. Toch een overvol kruispunt oprijden terwijl het oranje wordt

3-oranje op kruispunt-01

Het oranje verkeerslicht bestaat om één duidelijke reden: het geeft aan dat het rood zal worden. Als je heel snel rijdt (naargelang de maximum toegelaten snelheid – je weet nooit wie hier meeleest) mag je een oranje licht passeren. Maar enkel als je heel snel rijdt en dus niet kan stoppen. Weet je wanneer je niet heel snel rijdt?

Wanneer het kruispunt potdicht zit. Dan telt door het oranje rijden niet. Dan blokkeer je de andere chauffeurs waarvoor het nu groen wordt. En weet je wat er door hun hoofd spookt?

“Klojo.”

4. Te laat invoegen

4-te laat invoegen-01

Ik heb het niet over ritsen. Ik weet wat ritsen is. Dat hoort vlot en hoffelijk te zijn en pas op’t einde van de rijstrook sinds kort.

Ik heb het over maar al te goed beseffen dat er een file staat aan een afslag, en toch tot op het einde wachten om in te voegen. Voor mensen die al een hele poos doodeerlijk staan aan te schuiven. Als ik een van die mensen ben, dan laat ik je niet door. Niet omdat ik een klojo ben, maar jij.

5. Op de middenrijstrook blijven rijden

5-middenrijstrook-01

We hebben allemaal onze ruimte nodig. En waar vind je meer ruimte, dan helemaal in het midden van iets? Neem nu een snelweg met drie rijkvakken. Logischerwijze gaat het zo: hoe linkser, hoe sneller. Makkelijk, hoor.

Maar! Wat als je lekker veel ruimte nodig hebt of je niet sneller wil rijden dan die rechtse auto of trager dan die linkse? Wel: dan rij je toch gewoon in het midden? Zoals een klojo. Maakt niet uit of andere auto’s dan heulemaal van links naar rechts moeten om je voorbij te steken.

6. Je pinker niet (of te laat) opzetten als je verandert van rijstrook

6-pinker niet aanzetten-01

Zij die toch ineens een moment van helderheid achter het stuur beleven en van rijstrook veranderen zoals normale chauffeurs, dienen hun pinker op te zetten. Persoonlijk verkies ik minstens twee seconden pinkeren voordat ik overga tot actie.

Sommige chauffeurs geven het drie seconden, anderen slechts eentje. En da’s allemaal okee.

Maar bepaalde chauffeurs zetten hun pinker pas aan wanneer ze al aan hun stuur draaien en de stippellijntjes over zijn. Of ze doen het verdorie niet. Dan rij je achter zo iemand en denk je: “Er is godverdomme alweer zo’n vieze, gore klojo achter z’n stuur gekropen.”

7. Je vier pinkers aanzetten en dan je auto verlaten

7-vier pinkers-01

Blijkbaar is het concept ‘pinker’ niet al te eenvoudig om te begrijpen. Naast het feit dat ze de richting aanwijzen waarnaar je wenst te rijden (ze heten “richtingaanwijzers” in de boekskes), kunnen ze er ook op duiden dat je tijdelijk wenst stil te staan om allerlei redenen.

Zoals wachten op iemand, laden en lossen, je gps instellen enzovoort. Mij best. Waar ze niet toe dienen, is jou enkele uren cadeau geven om te gaan winkelen of ergens binnen te wippen zodat de slachtoffers van jouw dubbelparkeren – die zich ondertussen te pletter tuuteren –  jouw gezicht voor altijd zullen associëren met dat van een klojo.

Want dat is wat je dan bent. Een klojo.

Indien de overheid mij wenst te contacteren voor pamfletten, workshops en syllabi rond klojo’s en hun rijgedrag: weet bij dezen dat ik dit graag én gratis zal doen.

Waarom ‘slechte’ reclame blijft bestaan

Mijn naam is Hanne en ik was ooit copywriter. Dat word je door te zeggen dat je het bent – een beetje als kunstenaar of filosoof. Of schrijver. Ik ben trouwens schrijver. Maar goed. Ik liep eerst stage bij een van de beste reclamebureaus van de wereld en daalde vervolgens hoopvol en ambitieus af naar de donkerste krochten van de Belgische commerce. Aldaar aangekomen zou ik ‘goede’ reclame maken: origineel, slim en grappig. Met uiteraard een ton woordspelingen. Tegenover wat ik zag (zie) als ‘slechte’ reclame: cliché, tenenkrullend en schreeuwerig. Ik zou mensen prikkelen, in plaats van lastig te vallen in hun onmiddellijke leefwereld. Wat ik toen nog niet wist, was dat prikkelen en lastigvallen niet ver uiteen liggen.

images-1

En dat zelfs ik niet ontsnapte aan ‘slechte’ reclame maken, met name omwille van de volgende redenen:

1. De klant

Bedrijven (of ‘merken’ zoals ze zichzelf graag noemen) doen beroep op een reclamebureau om campagnes te verzinnen die eruit springen, om het vervolgens beter te weten. Briefings krijgen steevast voetnoten met interne voorstellen. Intrigerende voorstellen ook, als ‘verzin een mascotte’ of ‘online enquête’. Geniale ideeën die zonder twijfel in een of andere bezemkast ontsproten zijn na een stevig potje gedachten wisselen.

Ik schreef een tijdje voor een bepaald automerk, dat als taboe-onderwerpen niet minder dan ‘de kerk’, ‘politiek’ en ‘seks’ had. Laat dat nu net de drie vlezige onderwerpen zijn waar een mens graag zijn vork in prikt. Ach. Dan maar de zoveelste “De stad is een jungle en jij rijdt met een Tarzan”-campagne.

2. Het beperkte budget

Over automerken gesproken: die hebben een probleem want mensen kopen steeds minder nieuwe auto’s. Niemand heeft tegenwoordig vijftienduizend euro liggen voor een auto met een touchscreen (is dat tijdens het rijden niet ontzettend gevaarlijk?). Het is crisis, weten we ondertussen. Maar niet alleen voor automerken: de meeste bedrijven hebben steeds minder budget, omdat de consument steeds minder budget heeft. Ze hebben dus reclame nodig, om hun geldbesparende acties in de kijker te kunnen zetten. Jammer genoeg kan daar geen groot budget voor worden voorzien, omdat hun verkoop verlies maakt. Een vicieuze cirkel van rotreclame.

Want een onbeperkt budget geeft makkelijker leuke ideeën. En ook: als je mensen niet veel geld geeft, komen ze zelden op de proppen met geniale en enthousiaste ingevingen. Zeker niet als het niet over seks mag gaan.

3. Mensen zijn dom

Tevens de reden waarom democratie op grote schaal niet werkt: het domme publiek is de standaard. Domme mensen houden van clichés, zoals vrouwen die te veel shoppen en niet kunnen parkeren en mannen die bier drinken en enkel aan seks denken. Domme mensen zijn de doelgroep van slechte reclame en verpesten het voor de rest. Maar ook in de reclamewereld zitten – geloof het of niet – domme mensen. Dit zijn de mensen die geloven dat wanneer iemand maar vaak genoeg een affiche of tv-spot ziet, uiteindelijk van het product zal beginnen houden. Een beetje als het Stockholmsyndroom, maar dan minder agressief.

Bij een bepaald bureau had ik een baas die steevast aanwezig wilde zijn op brainstorms (of: gezever dat een goed idee moet opleveren) en onze gesprekken steeds kruidde met de legendarische zin: “We moeten echt iets doen met social media, dat is de toekomst jongens toch!” omdat hij dat onlangs op een congres had horen verkondigen. Maar niet alleen onbenullige bazen mengen zich in het creatieve proces, ook accounts (voor de leken: die zijn mooi en praten vlot en fungeren als tolk tussen de klant en de creatieven) mogen graag hun eigen hersenspinsels opdringen. Die gaan van “Maak een T-shirt met de merknaam erop!” tot “Maak een pagina aan op Facebook!”. Waarom dan niet gewoon een ballon met een logo?

4. Social media

Het is niet genoeg dat onschuldige burgers om de oren worden geslagen met onnozele spots, slogans en acties op alle plekken waar ze eigenlijk ontspanning zoeken: op hun radio, op tv, in het straatbeeld en op toilet in horecazaken die iets wilden bijverdienen. Met de komst van het internet wordt de potentiële klant ook daar toegeschreeuwd, waar hij zich wil informeren, laten entertainen en contact wil zoeken met oude bekenden. Facebook is nu een combinatie van fotogenieke maaltijden, kwijlende baby’s en promotieacties geworden. In je newsfeed – sowieso een vuilbak van halfbakken campagnes – kan je ze wel weg klikken en aanduiden waarom, zodat ze de reclame kunnen vinden die bij jou past. Gelukkig maar!

Reclame op social media is niet alleen afstompend, het bestaat ook meer dan ooit uit mislukte oneliners en opvallend gepoogde foto’s, die de mensen zouden moeten intrigeren. Of toch genoeg om erop te klikken. Internet is immers voor de snellen, diegenen met een korte aandachtsboog. Daarom mag je na vijf seconden ook dat reclamefilmpje op YouTube weg klikken, zodat je het merk niet al te hard zou beginnen haten. Daarom strijden bewegende banners ook om je aandacht, ze weten namelijk dat het moeilijk kiezen is tussen de tekst die je eigenlijk wou lezen, of hun zoveelste flutaanbieding van de dag.

5. Tijdsgebrek

Reclame speelt graag in op hedendaagse gebeurtenissen, maar loopt onvermijdelijk achter. De tijd die nodig is om een campagne op poten te zetten is op zijn minst enkele maanden. Maanden die je niet hebt. Op internet zijn maanden jaren waard en ben je een pummel als je nu nog afkomt met de split van Jean-Claude Van Damme.

Creatieve teams mogen nog zo op de hoogte zijn (de meesten zijn het niet) van wat er leeft of ‘viraal’ gaat op het internet: er is gewoon geen tijd om erop in te spelen. Nu bestaan er speciale afdelingen binnen reclame die zich daarop concentreren en die enkel online campagnes doen. Dan nog is een week een maand waard. En dat was al een jaar.

6. België is tweetalig (en soms wel drietalig)

Wacht, laat me het uitleggen! Tweetaligheid (of drietaligheid) is mooi: meerdere talen kennen is goed voor je brein en je sociale kunde – om nog maar te zwijgen over de bewonderende blikken van buitenlandse sukkels die slechts hun eigen taal en enkele woorden in het Engels kunnen (tenzij ze Engelstalig zijn, dan kennen ze Engels en enkele woorden in het Spaans). Maar als een reclame moet kloppen in twee talen, die qua opbouw niet eens dezelfde stam hebben en die qua humor een heel andere invalshoek gebruiken, is het kiezen. En dat vertaalt zich in slogans die ofwel in het Nederlands, ofwel in het Frans geen steek houden.

Jammer genoeg wil de klant per se dat de boodschap dezelfde is in beide talen, ook al betekent dat, dat een van de taalgroepen zich onbegrepen en zelfs miskend zal voelen. Dit is het duidelijkst voelbaar op cornflakes verpakkingen. Lees die eens.

Ja, het is heerlijk vertoeven hier aan wal. Maar ik behoud me het recht voor om te reclameren (dit is een woordspeling, voor alle duidelijkheid). Het is een schande dat fake ads beter zijn dan echte. Dat je voor elke ‘goede’ reclame honderd ‘slechte’ moet verdragen. Ik pleit voor een betere deal. Ze mogen me lastigvallen – zolang het op een originele, slimme of grappige manier is. Anders is het gewoon stalking.

Het jaar van Het Ei

2013 was het jaar van GAS-boetes die ons verstikten, klokkenluiders die wereldmachten verklikten en een van de grootste tropische stormen die we ooit gezien hebben – al lijkt dat laatste vreemd genoeg jaarlijks terug te keren. Helden op uiteenlopende vlakken Nelson Mandela, Roger Ebert, pdw en Lou Reed zijn er niet meer. Langs de andere kant kwamen de leden van Pussy Riot vrij, kregen we een nieuwe paus en de kerk daarmee een nieuw begin en kreeg België er een Nobelprijswinnaar bij.

Een status quo dus!

Wat er ook gebeurde, ik was er steeds als de kip bij om mijn ei te leggen. Ik benadruk graag dat ik niet boven flauwe woordspelingen sta en zal me er ook niet voor excuseren. En het heeft me geen windeieren gelegd (aanvaard het gewoon). Want ook Het Ei is nu een jaar verder – het enige voornemen dat ik heb waargemaakt naast “meer drinken, minder katers”.

Als jij nu denkt dat ik niet zelfgenoegzaam genoeg ben om voor die aangelegenheid een jaaroverzicht ter ere van mezelf te maken, hou je dan vast voor de verrassing van je leven want hier komt het populairste, het beste én het slechtste van Het Ei in 2013:

Het populairste (volgens de statistieken)

1. Over een vader die graag plaagde

2. Het meest beschamende moment van mijn leven*

3. Een ontmoeting met een voetfetisjist

4. Je hebt dus besloten om te stoppen met roken

5. Ode aan social media

Ik geloof niet dat het toeval is dat wanneer ik op mijn meest exhibitionistische ben, mijn leescijfers de hoogte ingaan. Dit is tenslotte het tijdperk van de reality shows. Hopelijk zal ik ook in 2014 de nieuwsgierigheid van het publiek kunnen blijven uitbuiten!

Het beste (volgens mezelf)

1. Over een vader die graag plaagde, omdat ik nooit gedacht had dat ik mijn vader zou kunnen samenvatten in een tekst. Laat staan een titel.

2. Het verschil tussen ironie en sarcasme, omdat ik nooit zal stoppen met strijden voor taalrechtvaardigheid.

3. De champieter kwiet, omdat ik niets liever doe, dan een stevig potje haten.

4. Zijn vrouwen nu grappig of niet?*, omdat ze het godverdomme zijn.

5. Kleine lettertjes en asterisken*, omdat het toch waar is verdorie.

Het slechtste (volgens mezelf)

1. De Dag van de Respectloosheid, omdat ik niet wist wat schrijven en slechtgehumeurd was.

2. Waarom vrouwen nooit kunnen winnen, omdat ik zelf niet meer lijk te snappen wat ik nu precies wil zeggen.

3. Een korte inleiding tot koeioneren, omdat sarcasme als schrijfvorm niet altijd de oplossing is.

4. De reeks Wat ik me zoal afvraag, omdat het lui is: ik verzamel gewoon wat ik me afvraag. Die foto van Jackie Chan hangt me eerlijk gezegd ook mijn voeten uit.

5. Afscheid nemen bestaat niet, omdat ik een kleinzielig verwend nest ben als ik niet even een babbeltje kan slaan.

Wat brengt 2014 voor Het Ei? Allereerst nog meer antwoorden op vragen die ik zelf stel. En zoals gezegd meer exhibitionisme maar ook meer ‘Wat ik me zoal afvraag’ (mijn voornemen is om mijn luiheid te aanvaarden), kleinzieligheid en zelfs recepten. Ja, recepten. Gewoon omdat ik het kan.

Dat wordt wat jongens!

De Dag van de Respectloosheid

Omdat we een beschaafde maatschappij in stand proberen te houden, gaan we er prat op beleefd met elkaar om te gaan. Ik spreek hierbij niet voor die kleine minderheid van bohemen die als zuigeling door wolven gevonden en opgevoed werden. Ik spreek over echte mensen zoals jij, beste lezer, en ik. We gaan per se beschaafd met elkaar om. Ook al zouden we elkaar soms liefst “de kop inrammen”, om het kind een naam te geven.

Maar er zijn medemensen die beweren dat dingen opkroppen niet goed is voor de gezondheid. Je ontkent als het ware je echte gevoelens en daardoor jezelf. Dat soort remmingen geven frustraties, bitterheid en innerlijke woede, zo blijkt.

Er lijkt me dan ook maar één oplossing: vanaf nu voeren we elk jaar de Dag van de Respectloosheid in! Laat iedereen voor een enkele dag weten wat je van hen vindt. En daarna doen we alsof er niks gebeurd is. Ik geef je graag al enkele tips om je minachting te tonen:

– Op elke zielige status van Facebook commenten: “Mijn god, wat kan het iemand schelen”.

– Rustig achterwaarts wegstappen wanneer je baas zijn zoveelste mop vertelt en er zelf alweer hartelijk om lacht.

– Naar iedereen die zegt “Ik heb geen alcohol nodig om mij te amuseren” met overslaande stem roepen: “Ik heb het wel nodig om jou te kunnen verdragen!”

– Voor de vrouwen: een smakelijke boer laten in het gezicht van een pervert die je lastigvalt.

– En ook: donkere lippenstift dragen en iedereen een natte kus op het voorhoofd geven.

Ziezo. Laat je vooral inspireren. Verdere suggesties zijn uiteraard welkom in de comments, omdat we samen moeten werken aan een betere, gezondere wereld.

De opgeheven hoofdletter

Onlangs nam ik me voor om niemand meer te verbeteren tijdens informele gesprekken. Geen “Jij heet zo, maar wordt zo genoemd!” meer, geen “Groter dan en even groot als!” en zeker geen “Het is efficiënt, niet éfficiënt!” meer. Dit om de simpele reden dat ik niet alleen wil sterven. Niemand houdt van een taalinspecteur, die je met zijn arrogante blik doet stamelen, twijfelen en stotteren bij de minste twijfel.

Waarom zou iedereen tenslotte altijd perfect Nederlands moeten praten? Kunnen we allemaal niet gewoon onbevangen met elkaar communiceren? Zolang we elkaar begrijpen, is het toch goed? Dit besef is een stap vooruit, hoezeer het me ook kwelt om te zwijgen bij overduidelijke fouten in een gesprek. Moei je met je eigen zaken jij taalfascist, denk ik dan bij mezelf. Waarna ik mezelf een schouderklopje geef voor mijn groot, warm hart.

Maar taalfascisme roei je niet zomaar uit.

Een tekst heeft niet de spontaniteit van een gesprek. Er bestaan geen tekstuele flapuiten. Een lapsus overkomt een pen niet. Daarom zal ik spelfouten en vooral het ontbreken van hoofdletters nooit tolereren. Zonder hoofdletters schrijven is walgelijk. Ik vertel je graag even waarom.

Elke persoon die iets schrijft, leest zijn tekst na. Een keer of vijf. Af en toe ontbreekt er allicht ergens een hoofdletter, omdat je snel die sublieme zin wou vereeuwigen. Je klikt dus op de kleine letter en dan op ‘backspace’. Dan druk je ‘shift’ en tegelijk op de letter. Die is nu groot. Opgelost.

Wanneer je bij het nalezen alle fouten verbetert maar toch het ontbreken van hoofdletters in ere laat, kan ik alleen maar concluderen dat dat expres is. Je hebt expres geen hoofdletters gebruikt. Vanaf het eerste leerjaar moest het en nu weiger je. Je weigert!

Hoofdletter

Is het fijn vertoeven daar, in je ivoren toren? Gelden de wetten van de taal daar niet voor jou? Vind je jezelf wel heel wat nu en nog rebels ook? Door een nieuwe regel te maken en hem consequent te volgen en dan te denken dat dat niet ironisch is? Zullen we allemaal jouw voorbeeld volgen en gewoon schrijven hoe we willen? Waarom verwisselen we niet ineens punten met komma’s? Trema’s met liggende streepjes? Of we gooien het hele verdomde dt-systeem gewoon uit het raam! Ga je dan ineens netjes schrijven om toch maar anders te zijn? Waarschijnlijk!

Dan ga ik nu even diep in- en uitademen in een papieren zak. Dankjewel voor je aandacht.