Je weet pas wie je bent, als je al ooit je paswoord bent vergeten

paswoord

Je beseft het niet meteen, dat is het mooie. Je blijft optimistisch. Je lacht naar je scherm! Naar die rode melding. Och, m’n hoofdletters staan misschien nog aan, denk je naïef. Na de tweede rode zin begin je heftig te fronsen.

Wat was dat paswoord ook alweer? Ik zal het je vertellen: een opeenvolging van tekens die je ooit in de rapte hebt verzonnen omdat je aan de slag wilde. En je hebt er nu het raden naar, wat er destijds in je omging. Seks, waarschijnlijk.

Toch blijkt je paswoord ook niet “Ikwilhetnuuu” te zijn. Noch “Hoegroterhoeliever!1”. Het kan dus letterlijk alles zijn en je mag maar vier keer proberen want anders bellen ze de politie en moet je naar’t gevang.

Dan maar klikken op het zinnetje onder die rode melding: “Ik ben mijn paswoord vergeten”. Het is een vernederende toegeving: “Ik weet niet hoe te volwassenen”. Dan moet je voor de veiligheid je gsm nummer geven. En je geboortedatum. En welk huisdier je als kind had. En de resultaten van je laatste endoscopie.

Veiligheid. Tussen haakjes. Als hackers willen hacken, dan hacken ze. Hackers. Die hacken. We hebben allemaal een job, we snappen de ijver. Maar ondertussen zijn we een halfuur verder en hebben we nog geen nieuwe broek gekocht.

Dan mag je eindelijk je nieuwe paswoord ingeven via een code die je in je mailbox krijgt, waarvan je het paswoord ook niet meer weet. De code en de link daarvoor sturen ze naar je gsm. We zijn vertrokken. Ligt je gsm nog in je auto want op tafel ligt ie niet? Ah, hebbes! Argh, de batterij is op. Waar is die oplader? Welwel, daar. We zijn goed bezig – wacht wat was de pincode weer? Juist, je geboortejaar. En hoera, je hebt de ene code en de link! En die andere code in je mailbox!

Prima, nieuw paswoord ingeven! Wat zullen we verzinnen? O, je naam! Die vergeet je nooit. Oei, er moeten ook cijfers en tekens inzitten. In orde, je naam dus en een “1” en een “!”. Petat!

“U mag uw oude paswoord niet opnieuw gebruiken.”

Soms moet een mens gewoon eens heel hard in de spiegel schreeuwen.

17 dingen die ik me als nieuwe mama zoal afvroeg/afvraag

IMG_6073Ondertussen ben ik meer dan een jaar lang moeder. In dat jaar heb ik de verleiding kunnen weerstaan om een tekst te schrijven over m’n baby of om een onnozel lijstje te maken over het ouderschap of over wat splinternieuwe mama’s zich vanaf de bevalling zoal afvragen. Tot nu dus:

Zal ik ooit weer in een zetel kunnen ploffen?

Is dit wat ze bedoelden met die “Geniet nog van de stilte”?

Als ik m’n baby langer dan een uur laat wenen, komt er dan een nuffige madame van ‘Kind en Gezin’ me arresteren?

Weet ‘Kind en Gezin’ wel héél zeker wat ze allemaal vertellen?

Is dit hoe ze de harde geluiden-foltermethode hebben bedacht?

En hoe ze de slaaptekort-foltermethode hebben bedacht?

Hoeveel verschillende soorten huiduitslag bestaan er eigenlijk?

En hoeveel verschillende soorten crèmekes en druppelkes?

Hoe rijk worden apothekers van nieuwe ouders?

Gaan m’n borsten juist groter of kleiner zijn, op het einde van deze malle rit?

En hoeveel mensen zullen zo in totaal mijn tepels hebben gezien?

Ga ik beste vrienden worden met de bejaarden die me zien wandelen met de buggy in m’n wijk?

Waarom geven mensen op straat me ongevraagd raad?

Waarom geven mensen zonder kinderen me ongevraagd raad?

Geldt kletsen geven aan een vreemde die z’n kop in m’n buggy steekt als wettelijke zelfverdediging?

Waarom zijn er overdag zoveel vreselijke realityprogramma’s rond vreselijke mensen?

Wanneer zal ik eens aan dat “opvoeden” beginnen?

Volgend jaar een lijstje over peuters, joepie!

Vaagweg gezocht: de allround medewerker

Sire, er bestaan geen functies. Is het nu nog steeds de crisis, de krenterigheid van sommige bedrijven of het feit dat we stilaan übermenschen aan’t worden zijn: tegenwoordig moet je alles maar mooi kunnen. Werkgevers zoeken steeds een allround medewerker want dat is een fijne aanvulling van hun team.

Let op, je hebt vele allrounds.

Er is de allround designer, die verantwoordelijk is voor het idee, de creatie en de afwerking van een concept. Hij/zij maakt tevens filmpjes, animaties en charts en kan prachtige foto’s trekken én bewerken. Interieur, kledij, vervoersmiddelen, websites? Geen probleem voor de allround designer want die designt allround.

Dan heb je de allround administratief medewerker. Een beetje administratie, een beetje boekhouding, een beetje lonen uitbetalen, een beetje telefoons oppikken en een beetje koffiezetten. Je kent toch iets van de Belgische wetgeving, hé? Want die kennis zal je nodig hebben wanneer je de zoveelste rechtszaak van je baas opvolgt. Vergeet wel dat ene gedeelte over vakbonden.

Dan mijn favoriet: de allround creatieve duizendpoot. Een echte duizendpoot kan alleen maar stappen of stilstaan met zijn ‘duizend’ poten. Dat houdt werkgevers echter niet tegen dit insect (is het een insect? Ik ben geen bioloog) te gebruiken om lekker vage vacatures te schrijven. Alsof een allround creatieve duizendpoot dus effectief duizend poten heeft om al je rotproblemen op te lossen, omdat je geen creatieve ontwerper, creatieve schrijver, creatieve DTP’er, creatieve monteur, creatieve webdesigner, creatieve editor en creatieve office manager apart wilt inhuren.

Soms heb je nog méér overkoepelende allrounds. De zogenaamde allround allround. De MacGyver van de werkwereld. Die moeten rekeningen sorteren, websites onderhouden, toiletten poetsen én teksten schrijven en alles wat daartussen ligt. Daarnaast is een goed coördinatievermogen handig om de route naar de wasserette van je baas te onthouden.

Hoe vager de functie, hoe meer je zal moeten kunnen en hoe kwader ze mogen zijn, moest dat niet lukken. Je functie bestaat er immers ook uit om tussen de lijntjes van je job te lezen. Lijnen die je baas sporadisch uitwist en herschrijft, totdat je gewoonweg alles kan! Waarop je wordt buitengezwierd, want slimmer zijn dan je werkgever – dat is een kwaliteit te veel.

Mijn held Iris

Held zijn is net als dame zijn: als je moet zeggen dat je het bent, dan ben je het niet. Ik weet niet zeker of Iris een dame is. Maar ze is een held.

In onze tienerjaren kwam haar heldhaftigheid in de vorm van brutaliteit bovendrijven. Toen ze een grote mond opzette tegen onze leraar biologie. “Noemen ze dàt lesgeven,” daar had hij niet van terug. Iris heeft boven alles een grote mond. Maar die mond zette ze ook op tegen mijn persoonlijke beulen, die volgens haar geen recht hadden van pesten want zij hadden ook maar een dikke kont en geen tieten. Daar hadden zij niet van terug. En ik deed alsof ik mijn boek las en gloeide van dankjewel. Maar ik zei het niet, want ze wist het wel.

Ze wist eveneens wat mij aan het schaterlachen bracht, zodat ik de beulen en mijn algemene tiener-malaise vergat. Zo gierden we dag en nacht, aan de telefoon en samen in pyjama, op het strand, high in het bos en achteraan in de klas, tot we onze kaakspieren verwensten en zelf verwenst werden door onze omgeving, met name onze leraars. Met name die van biologie. Een held doet je lachen. Een échte held staat samen met je op een podium, om te grappen over de meest misselijkmakende rotzooi die je ooit in het gezelschap van een pint bier hebt bedacht. Heel het jeugdhuis van Oudergem wist toen dat Iris brutaal was. Maar niet noodzakelijk een dame.

Helden kunnen heerlijk koken op het juiste moment. Ze bakte me een eitje met veel peper, toen ik kwam aankloppen met het nieuws dat mijn vader leukemie en ik honger had. Ze keek hoe ik het opat en keek niet weg toen ik haar vertwijfeld aanstaarde. Echte vriendinnen kijken niet weg. Ze vragen of je nog een portie wilt.

Mijn vriendin Iris wordt ’s nachts zelfs een superheld, in elke grote betekenis van het kleine woord. Wanneer ze in de gaten krijgt dat een medevrouw wordt bedreigd in een donkere straat, marcheert ze er met doodsverachting op af en veinst ze een eeuwenoude vriendin te zijn, zodat de medevrouw dankbaar met haar kan vluchten. Een echte vriendin is een vriendin van mij en van alle vrouwen.

Zij is mijn vriendin. Zij is een echtgenote en een moeder. Een dame – dat is zelfs niet aan de orde. Maar vandaag mag ze van mij zeggen dat ze een held is.

Het jaar van Het Ei

2013 was het jaar van GAS-boetes die ons verstikten, klokkenluiders die wereldmachten verklikten en een van de grootste tropische stormen die we ooit gezien hebben – al lijkt dat laatste vreemd genoeg jaarlijks terug te keren. Helden op uiteenlopende vlakken Nelson Mandela, Roger Ebert, pdw en Lou Reed zijn er niet meer. Langs de andere kant kwamen de leden van Pussy Riot vrij, kregen we een nieuwe paus en de kerk daarmee een nieuw begin en kreeg België er een Nobelprijswinnaar bij.

Een status quo dus!

Wat er ook gebeurde, ik was er steeds als de kip bij om mijn ei te leggen. Ik benadruk graag dat ik niet boven flauwe woordspelingen sta en zal me er ook niet voor excuseren. En het heeft me geen windeieren gelegd (aanvaard het gewoon). Want ook Het Ei is nu een jaar verder – het enige voornemen dat ik heb waargemaakt naast “meer drinken, minder katers”.

Als jij nu denkt dat ik niet zelfgenoegzaam genoeg ben om voor die aangelegenheid een jaaroverzicht ter ere van mezelf te maken, hou je dan vast voor de verrassing van je leven want hier komt het populairste, het beste én het slechtste van Het Ei in 2013:

Het populairste (volgens de statistieken)

1. Over een vader die graag plaagde

2. Het meest beschamende moment van mijn leven*

3. Een ontmoeting met een voetfetisjist

4. Je hebt dus besloten om te stoppen met roken

5. Ode aan social media

Ik geloof niet dat het toeval is dat wanneer ik op mijn meest exhibitionistische ben, mijn leescijfers de hoogte ingaan. Dit is tenslotte het tijdperk van de reality shows. Hopelijk zal ik ook in 2014 de nieuwsgierigheid van het publiek kunnen blijven uitbuiten!

Het beste (volgens mezelf)

1. Over een vader die graag plaagde, omdat ik nooit gedacht had dat ik mijn vader zou kunnen samenvatten in een tekst. Laat staan een titel.

2. Het verschil tussen ironie en sarcasme, omdat ik nooit zal stoppen met strijden voor taalrechtvaardigheid.

3. De champieter kwiet, omdat ik niets liever doe, dan een stevig potje haten.

4. Zijn vrouwen nu grappig of niet?*, omdat ze het godverdomme zijn.

5. Kleine lettertjes en asterisken*, omdat het toch waar is verdorie.

Het slechtste (volgens mezelf)

1. De Dag van de Respectloosheid, omdat ik niet wist wat schrijven en slechtgehumeurd was.

2. Waarom vrouwen nooit kunnen winnen, omdat ik zelf niet meer lijk te snappen wat ik nu precies wil zeggen.

3. Een korte inleiding tot koeioneren, omdat sarcasme als schrijfvorm niet altijd de oplossing is.

4. De reeks Wat ik me zoal afvraag, omdat het lui is: ik verzamel gewoon wat ik me afvraag. Die foto van Jackie Chan hangt me eerlijk gezegd ook mijn voeten uit.

5. Afscheid nemen bestaat niet, omdat ik een kleinzielig verwend nest ben als ik niet even een babbeltje kan slaan.

Wat brengt 2014 voor Het Ei? Allereerst nog meer antwoorden op vragen die ik zelf stel. En zoals gezegd meer exhibitionisme maar ook meer ‘Wat ik me zoal afvraag’ (mijn voornemen is om mijn luiheid te aanvaarden), kleinzieligheid en zelfs recepten. Ja, recepten. Gewoon omdat ik het kan.

Dat wordt wat jongens!

Je hebt dus besloten om te stoppen met roken

Niet panikeren. Haal diep adem en beeld je in dat die frisse lucht sigarettenrook is. Vies, hé?

Of nee, juist heerlijk. Rook die je longen vult is heerlijk. Het dunne zwarte laagje diep in je binnenkant is als een warm deken van troost in tijden van tristesse. Jij en je sigaret kunnen de wereld aan. Dat kunnen jullie al jaren.

Samen doorstonden jullie wenkbrauwgefrons van anderen die het niet snapten. Mensen die je aanspraken op straat, om jou te waarschuwen dat je sigaret niet het beste met je voorhad. Je sigaret sprak hen tegen en je geloofde enkel hem want hij oordeelde tenminste niet. Hij zei helemaal niets om je overstuur te maken. Stil was hij, toen een kuch uitdraaide op een diepe hoest die maandenlang aansleepte. Stil was hij, toen je buiten adem was na een korte spurt op de trappen. En heel stil, telkens het woord “longkanker” viel.

Hij fluisterde je wel bemoedigende woorden toe na de koffie, in de auto, aan de telefoon, op een terrasje, na het eten, bij een glaasje, na een inspanning en tijdens stress. “Gaat regen je nu echt tegenhouden om buiten te gaan staan?”, “Is de winkel nu echt zo ver?”, “Heb je nu echt geen paar euro’s te veel? Per dag?” en “In oude films ziet het er zo cool uit”. Die woorden gaven je kracht. Je sigaret gaf je kracht. En tijd om te doden tussen je leven door.

Maar je wilt geen tijd meer doden. Je ziet nu zijn verraad en je bent te oud en te slim om een giftige vriendschap te onderhouden. Dus zeg je tegen iedereen dat je stopt, zodat je wel moet doorzetten. Zelfs onder het geschreeuw van je afgewezen sigaret die dit niet zomaar pikt. Maar het is hij of jij, die uitdooft.

Je legt je er ten slotte bij neer dat je niet meer cool gaat zijn, zoals personages in oude films. Ach, zo cool was je toch al niet.

Het meest beschamende moment van mijn leven*

14997327-two-whole-cantaloupe-melons-on-a-white-background

Ik geloof dat er geen verschrikkelijker fase in een mensenleven bestaat, dan de puberteit. De onschuld van de kindertijd vervaagt stilaan en maakt plaats voor een bewustwording van je omgeving, de anderen en vooral: van je lijf dat welig begint te tieren. Buiten je wil, starten verdraaide hormonen vanuit het niets met het hervormen van je lichaam, dat je tot nu toe zo goed had leren kennen. In die mate, dat je een vreemde wordt in je eigen spieren, huid, haar en nieuwe groeisels die je goed kent van op tv en de voorlichting op school, maar niet van in de spiegel.

Laat dat nu net de periode zijn waarin niets belangrijker lijkt, dan wat anderen van je denken. Schaamte en het belang van het cool-zijn doen hun intrede en dat vloekt met je gebrek aan motoriek en zelfkennis. Onze samenleving lost dit op door iedereen die dit doormaakt, samen in een klas te zetten. Dat schept een band, zou je kunnen argumenteren, maar in de realiteit worden enkel afschuwelijke taferelen geschapen. Want niet iedereen groeit aan hetzelfde tempo. Niet iedereen ziet er even leuk uit. Niet iedereen snapt zijn eigen lijfgeur. Nee, niet iedereen heeft van nature zijn gedachten op een rijtje. Of zijn tanden.

Als volwassen kunnen we terugkijken en lachen, al dan niet groen. We vergeten alle vreemdheid, gêne en de wreedheden van leeftijdsgenoten. Maar niet alles.

Ik zat in het vierde middelbaar of hoe ik het noemde: de vierde cirkel van de hel. Mijn lijf en ik waren het al een hele poos oneens geweest en tot overmaat van ramp kreeg ik opeens uitwassen onder mijn sleutelbeen. Niets te vroeg, dat wel, maar het was eigenlijk makkelijker zonder. Dat vind ik nu nog steeds. Van uitwassen kwamen zwellingen en tenslotte uitstulpingen. Net op tijd voor de dag van de klasfoto’s. Speciaal voor de gelegenheid had ik mijn lievelingsbloesje aangetrokken, dat toevallig erg dun, erg strak en erg huidkleurig was. Als jij denkt te weten hoe dit verhaal zal aflopen, dan heb je volkomen gelijk.

De groepsfoto namen we buiten op de speelplaats. Ik stond rechtop in de achterste rij, want ik was sinds een plotse groeistoot een van de grootsten van de klas geworden. Omdat mijn mede-tienermeisjes hielden van onoprecht enthousiasme, besloten we elkaar de armen om de schouders te slaan. Want we waren vriendinnen. Dat werd vooral duidelijk, de dag waarop de klasfoto’s waren toegekomen. Mijn pasfoto was prachtig, geen ontkennen aan. Dat sleutelbeen sprong er mooi uit. Helaas deden mijn uitstulpingen dat ook op de groepsfoto. Door de werking van schaduwen. Cirkelvormige schaduwen. Langs de andere kant ben ik blij dat het geen koude dag was. Maar ik zag er naakt uit – weliswaar zonder kersjes op de taart – en voelde me ook zo. Ik wou door de grond kunnen zakken, helemaal tot in Australië. Om het hoongelach dat door de speelplaats galmde niet meer te horen.

Dit is het dan, dacht ik. Dit zal me mijn hele leven lang achtervolgen. Als tiener denk je dat het leven stopt op twintig. Je weet nog niet dat het leven dan pas echt begint, en dat de meesten van die vriendinnen uit je klas in de marginaliteit zullen verzeilen.

Als je nog eens een tiener ziet, geef hem dan geen GAS-boete maar een fikse knuffel.

 

*tot nu toe

Mijn 4 meest irrationele kinderangsten

Angsten zijn als religies. Het lijkt allemaal wel gegrond, maar diep in je hart weet je dat het geen steek houdt. En hoe irrationeler ze zijn, hoe meer je erdoor gefascineerd raakt. Je zou denken dat angsten overblijfsels zijn van ons overlevingsinstinct als oermens. Dat ze bestonden om ons te redden van opkomend gevaar. Zoals de angst voor een tijger. Of bliksem.

Maar de mens heeft vandaag andere angsten, die uiteenlopender zijn en vooral nuttelozer. Angst om je tussen mensen te begeven. Angst voor haaruitval. De panische en ironische angst voor een paniekaanval. Angst voor bejaarden. Komkommers. Sommige angsten beheersen je hele leven als je niet naar de groenteboer durft.

Toch kan er geen enkele tippen aan de angsten die je als kind had. Dat waren Angsten. Ik koester ze, en kan me nog zo voor de geest halen hoe het zweet me uitbrak wanneer ik een spin zag, of op het moment dat ik besefte dat doodgaan onvermijdelijk was. Dat valt nog wel evolutionair te verklaren. Maar nu ik een volwassen persoon ben, of dat toch graag van mezelf denk, vraag ik me af wat de oorzaak zou kunnen zijn van mijn overige kinderangsten zoals:

1. (Blauwe) verf

Verf maakte me nerveus, want het transformeerde alles in een gemaskerde boosdoener. Ik was bang van rood, geel en blauw. Vooral blauw. Glanzend blauw. Het was een gemene kleur, een onnatuurlijke kleur. Het hoorde niet thuis in mijn warme-kleuren-wereld. Ik was het enige kind dat begreep dat Gargamel het échte slachtoffer was. Ik heb nooit geluisterd naar de elpee van Blue Man Group die ik tot mijn afgrijzen ontdekt had, omdat ik dacht dat ze wel moesten klinken als de duivel.

komaan
Zo ver zat ik er toch niet naast.

Apathisch dwaalde ik rond in moderne musea waar mijn ouders me plichtbewust mee naartoe hadden gesjouwd. Nog meer dan van blauw, was ik bang van goud en zilver. Telkens mijn bomma de gouden spuitbus bovenhaalde met Kerstmis, kon je me met de dennennaalden bijeenvegen. Eenmaal toonde ze me haar duim die per ongeluk mee met een dennenappel goud was gekleurd. Die fout heeft ze nooit meer gemaakt.

2. Modder

Wanneer ik kinderen in een park bezig zie, kan ik afleiden dat ze van smerigheid en modder houden. Leuk voor ze. Maar ik was anders. Ik maakte me niet graag vuil en raakte zelfs in paniek wanneer ik slijk zag, lichte of donkere. Zou dat slijk mijn persoontje aanraken, kreeg ik op slag een identiteitscrisis. Dan was ik vies. Dan had ik plots die walgelijke textuur. Ik. Hanne. Moi.

Ohmijngodikdenkdatikeenbrokjehebingeslikt!
Wel hallo, zes jaar therapie.

Een bepaalde videoclip speelde sterk in op mijn modderfobie, alsof ze het wisten: ‘You’re in the army now’ van Status Quo, die de opleiding van soldaten toonde. Ik vond het aanvankelijk een prachtig nummer (ik was maar een kind en het waren de jaren’80), maar de beelden van uitgeputte soldaten die ploeterden en op het einde zelfs stierven in de modder, waren ongewenste ingrediënten voor mijn nachtmerries en dagdromen. Ik sloot dan mijn ogen en vroeg mijn broer me te verwittigen wanneer het voorbij was. Hij LOOG.

3. In de goot belanden (letterlijk)

Toen we op mijn elfde van Duitsland naar België verhuisden, stelde ik opgelucht vast dat de goten hier roosters hebben. Goten in Duitsland zijn open valstrikken aan de kant van de weg. Niet heel erg groot. Wel groot genoeg om, laat ons zeggen, kinderbenen op te schrokken.

OMNOMNOMNOM.

Donkere krochten om je speelgoed en misschien wel je voeten in te verliezen. Ik speelde vrolijk met mijn vriendjes in de straat (wordt dat nog gedaan?), maar ik was me eeuwig bewust van wat er  in mijn ooghoeken loerde: de hongerige mond van de riolering.

4. Clowns

Misschien stamde mijn angst voor goten wel uit de film ‘It’, die mijn kindertijd als geen ander fenomeen gecorrumpeerd heeft. Deze film – gebaseerd op een boek van die smeerlap Stephen King – gaat over een monster uit de riool, dat kinderen opeet door zich te vermommen als hun grootste angsten. Zoals een weerwolf, een mummie of een clown met scherpe tanden en nagels. Weerwolven en mummies heb ik altijd lachwekkend gevonden, maar het zicht van een clown veegde vanaf dan ironisch genoeg de glimlach van mijn gezicht.

Heb je in je broek geplast, of ben je gewoon blij om mij te zien?
“Kinderen geven smaak aan mijn leven. Als je begrijpt wat ik bedoel.”

Ik kon natuurlijk niet weten dat het maar een B-film was, duidelijk kitscherige trucages ten spijt. Ik zag enkel een kwaaie clown. Hoe groter zijn pompons, hoe groter mijn zweetporiën. Nachtenlang zat hij onder mijn bed verscholen, in de voortuin te jongleren of in mijn kast te giechelen. Posters van circussen verschenen langs de baan als plotse dreigementen, net als ik hem even vergeten was.

Goed. De titel van dit hele schrijven blijkt een leugen. Want nu ik het opnieuw bekijk, ben ik nog steeds bang voor dat alles. Ik kan bijna niet toegeven hoe zeer de vier bovenstaande foto’s me storen. Tijgers, olifanten, geweren en bliksemschichten doen me daarentegen niets. De menselijke evolutie heeft me een loer gedraaid.

Over een vader die graag plaagde

methannehoboken

Toen ik nog een kleine Hanne was en derhalve met ‘Hanneke’ aangesproken werd, noemde ik hem ‘papa’. Mama noemde hem ‘sjoe’ en volwassenen zeiden ‘Marc’. Ik woog niets en in zijn sterke armen nog minder, wanneer hij mij optilde om in zijn nek te zitten. Dan was ik een grote Hanne. Nog groter dan die reus van een vader, met een zwarte bos haar en dikke strenge wenkbrauwen. “Niet in mijn nek plassen, Hanneke,” waarschuwde hij dan met zijn lichtgroene ogen die knipoogden, waarop ik me steeds afvroeg of ik dat ooit had gedaan. En of ik die dag al geweest was.

In zijn bijzonder grote gestalte huisde, zo ergens rond de borststreek, een bijzonder klein hart. En langs zijn bijzonder grote mond kwamen jennende woorden van het soort dat alleen vaders kunnen smaken. “Mààr een acht op tien?” tot mijn ontsteltenis. Ik vond sarcasme niet grappig. Ik lachte me wél een kriek wanneer hij zijn befaamde Antwerpse accent bovenhaalde en duizendmaal “duzend” zei, of als hij – onze voorhoofden raakten – scheel in mijn lichtblauwe ogen keek. Humor varieert toch in elk gezin, denk ik.

Hij plaagde me graag over lang vervlogen gênante tijden, zoals die keer dat ik slapend mijn hele bed had ondergekotst en hij de enige was die het had gehoord en aldus mijn leven – en dat van mijn pluchen Samson – redde met een vervloekte koude douche. Of die keer dat ik was flauwgevallen na het bloedgeven omdat ik “te lang vegetariër” was geweest en beter wat lever of bloedworst zou eten. Of die keer dat hij mij in de mast had gehesen om dan met de zeilboot te schommelen. Tot mijn luid getier en zijn hoongelach. Hij wilde dat ik mezelf kon relativeren.

En hij wilde dat ik slim was, zoals hij. En dat ik wist wat te doen wanneer ik zou stranden op een onbewoond eiland, of onder een lawine bedolven zou worden. Tot nu toe is die kennis nog niet van pas gekomen, maar volgens hem wist je maar nooit. Hij was een man van het leger en stuurde me uit verre landen handgeschreven brieven die ik amper kon ontcijferen, op de “Veel liefs van je papa” na.

Eens ik oud genoeg was noemde ik hem ‘pa’ (of ‘pa-a!’) en plaagde ik hem vooral terug. Ik wil geloven dat hij dat stiekem fijn vond. Dan rakelde ik onderhoudende herinneringen op, zoals die keer dat hij op enkele maanden tijd eerst zijn rechter- en dan zijn linkerbeen brak. Hij wilde een skateboard uitproberen maar die vond dat geen goed idee. Dat we toen de twee broekspijpen van zijn jeans hadden moeten openknippen. Of ik onderbrak hem, omdat hij bij het vertellen van een anekdote de hele tijd “‘k zeg” zei. Soms plaagde ik hem wanneer hij het niet zag. Wanneer hij Flight Simulator speelde met muziek in zijn oortjes en lichtjes en vals meezong met Ozark Henry of Eric Clapton. Hij zong ook de gitaren en piano. Dan grinnikte ik, maar hij hoorde het niet. Een zingende piloot heeft het maar druk.

Negen jaar is een lange tijd om iemand niet meer te zien. Of te kennen, vrees ik soms. Al ken ik toch mezelf, dat is bijna hetzelfde.

Een ontmoeting met een voetfetisjist

foot-in-water-why-foot-by-face-derp--1

Ik denk graag terug aan de gezegende periode waarin mijn voeten nog niet beroofd waren van hun onschuld. Dat was vanaf mijn geboorte tot oktober 2006. Want toen kwam ik hem tegen.

Voor het filmfestival in Gent logeerde ik een week bij een vriendin die er op kot zat. Ik was lid van de jongerenjury, en mocht naast eenentwintig films bekijken ook meegenieten van enkele recepties en after-recepties. Een droom. En ik had nieuwe schoenen: zwarte lederen pumps die er vintage uitzagen, maar het niet waren.

Na een late avond hapjes opeisen van obers, acteurs proberen negeren en champagne binnenzwieren, fietste ik lichtjes in de frisse wind naar huis. Ik kwam er toe en opende de deur. Die schoenen knelden rond mijn kloppende voeten. De fiets kreeg zijn plekje in de gang en ik draaide me om, om de deur opnieuw te sluiten.

Er stond iemand, bescheiden in het deurgat dat voorts de nacht toonde. Niet al te groot. Middelbare leeftijd. Zwart haar. Zwarte jas. Jeans. Hij keek me bezorgd en schuldig aan. Zei niets. Of ik hem kon helpen. Of ik hem kon helpen! Of hij op iemand in het gebouw wachtte. Of hij Nederlands sprak. Of hij Deutsch sprak. English. Français. … Español?

Neen, schudde hij zijn hoofd. Of hij de vragen had begrepen! Hij traande. Het konden ook zweetdruppels geweest zijn. Wie was ik, om ‘s nachts een wanhopige en blijkbaar doofstomme man te veroordelen.

Kom binnen, duidde ik, onverklaarbaar. We gingen op de onderste treden van de grote trap zitten. Het waren toch zweetdruppels. Hij sprak nog steeds niet, maar uitte af en toe een piep langs zijn dunne lippen, gevolgd door een kuch in een vuistje.

Hij wees nerveus naar mijn voeten. Ik keek omlaag. Mijn aders puilden uit en pompten bloed onder het te strakke bandje. Keek hem weer aan. Hij reikte naar mijn voeten en wachtte op goedkeuring. Geïntrigeerd knikte ik. Hij nam mijn rechtervoet vast en trok mijn schoen zachtjes uit. Hij snoof eraan en traande nu toch. Hij maakte zich sterk en nam mijn klamme rechtervoet vast, die hij langzaam tot aan zijn gezicht bracht. Eens bij zijn gezicht, duwde hij zijn neus tussen mijn tenen. Dan wendde hij zich af om nog wat te wenen, mijn voet zwevend op dezelfde hoogte. Dan was zijn gezicht terug, om alsnog mijn voet te besnuffelen.

Ik begon me eindelijk ongemakkelijk te voelen en trok mijn voet rustig weg.

Hij gebaarde dat hij wou schrijven, dus gaf ik hem mijn notaboekje en een pen. Hij tekende ijverig en geniepig. Toen hij mij het bladje gaf, zag ik een kindertekening. Een rond cartoonesk gezicht met een voet ertegen. Hij wees ernaar met dwingende vinger. Stotterend schudde ik mijn hoofd.

Dan maakte hij dat hij wegkwam. Zo verdween hij de nacht in en liet me achter met opengesperde ogen, een verwarde geest en een blote voet.